ALFABETISCHE LIJST VAN TECHNISCHE TERMEN.

Aanslag: een niet gewenste kleurbijmenging in veren, snavel of loopbenen.

Bandtekening: anders gekleurde banden dwars over de veer lopend.

Been: bestaande uit dijbeen, onderdijbeen, loopbeen en tenen. Loopt in lengte, dikte en kleur uiteen.

Beenschubben: hoornachtige, elkaar afdekkende plaatjes aan loopbenen en tenen.

Bont: min of meer regelmatig optreden van andere kleuren in het gevederte.

Boon: zie snavelnagel.

Borstkwast: haarachtige vederbos op de bovenborst bij de kalkoenhaan, komt minder voor bij kalkoenhen.

Buff: aan het Engels ontleende benaming voor warm goudgeel, welke niet zo diep is dat ze roodachtig aandoet, noch zo licht dat ze koperachtig of lichtgeel uitziet.

Bultrug: gebogen rug, veroorzaakt door de sterke buiging van benedenrug of kruisbeen. Steeds als ernstige fout te beschouwen.

Conditie: gezondheids toestand waarin het dier zich bevindt, bovendien de reinheid en het onbeschadigd zijn van gevederte en poten.

Diskwalificatie: straf toegepast op fokkers of dieren, hetzij wegens het toepassen van ongeoorloofde middelen bij het exposeren met het oog om prijzen te winnen of een hogere prijs te bedingen, hetzij een fout waardoor een vogel van een bekroning wordt uitgesloten.

Dons: eerste bevedering van jonge kuikens. Soort vedergroei welke aan iedere veer dicht bij de huid voorkomt.

Donspartij: zachte veren rondom buik en achterdeel van de vogel; ook wel de donsachtige veren bij de dijen of het zachte donsachtige gedeelte der veren.

Draaiveer: veer met om de lengteas gedraaide schacht.

Druppeloog: misvormde, druppelvormige pupil.

Dubbelgezoomd: tekening, bestaande uit een brede veerzoom en een smallere binnenzoom evenwijdig aan de veerzoom.

Duimveer: veer, groeiende aan het verst van het lichaam verwijderde deel van de vleugel.

Dijbeen: gedeelte van het been lopende van het bekken tot het kniegewricht.

Eendenvoet: binnenwaartse stand van de vierde- of achterteen.

Evolutie: gelijke vorming of omvorming.

Flank: lichaamsdeel tussen de lijn van de vleugel en het dijbeen.

(Ook wel zijflanken genoemd).

Fokker: degene die strikt genomen de bezitter is van de dieren, uit welke eieren de nakomelingen daarvan zijn gefokt. Verder volgens een algemeen aanvaard begrip, diegene bij wie de nakomelingen, al of niet van eigen dieren, zijn geboren of grootgebracht.

Foktoom: toom waarvan de samenstelling is geschied met het oogmerk om er goede nakomelingen van te krijgen.

Fraude: ongeoorloofde handeling bij het conditioneren en exposeren van dieren, welke gestraft wordt met diskwalificatie van het betrokken dier of al de ingezonden dieren van de overtreder en in ernstige gevallen met diskwalificatie van de overtreder voor kortere of langere tijd.

Geslacht: aanduiding (1-0) is haan, (0-1) is hen.

Gestreept: tekening bestaande uit strepen of banden welke dwars over de veer lopen.

Getekend: gevederte van meer dan één kleur; hiertoe behoren alle andere dan enkelkleurige kleurslagen.

Gevlekte veer: veer met onregelmatige dooreengemengde kleur.

Gezoomde veer: veer welke een of meer zomingen heeft.

Gezichtshuid: onbevederd gedeelte van de kop.

Gezwollen voetzolen: komt voor bij zwaardere dieren b.v. kalkoenen en pauwen.

Gloed of glans: bijzondere "levendigheid" van het gevederte, waardoor schittering aan de bovenkleur wordt gegeven.

Haan: mannelijk dier van de siervogels.

Hak: hielgewricht.

Halskraag: sierveren, aanwezig bij een aantal mannelijke dieren van fazantensoorten, welke tijdens de balts worden gespreid.

Hangvleugel: los tegen het lichaam gedragen vleugel met de vleugelpunt beneden het horizontale.

Hard: eigenaardige vaste, hard aanvoelende spierontwikkeling. Glad aanliggende weinig donsachtige bevedering.

Helm: Hoornachtige knobbel op de bovenkop bij parelhoenders.

Hen: vrouwelijke siervogel.

Hoornkleur: kleur van snavel en nagels, meestal donker bij donker gekleurde variėteiten en licht bij lichtgekleurde variėteiten.

Houding: lichaamsdracht of stand van een siervogel.

Iris: regenboogvlies van het oog, de kleur ervan bepaald de oogkleur.

Kalkpoten: dit is een mijt welke zich verschuilt onder de schubben van de loopbenen en tenen en door een kalkachtige afscheiding de schubben omhoog drukt.

Karperrug: zie bultrug.

Keellel: hangende knobbelige vleesformatie onder de snavelbasis bij kalkoenen.

Keelwam: afhangende huidontwikkeling aan de keel.

Kinlel: afhangende vleesformatie ter weerszijden van de snavelbasis met name bij parelhoenders.

Kleurslag: aanduiding met ongeveer hetzelfde betekenis als variėteit doch alleen geldend voor verschillen voortvloeiend uit kleur of tekening.

Kniegewricht: verbinding vormend tussen het dijbeen en het scheenbeen.

(Dit laatste niet te verwarren met het loopbeen).

Knobbel: uitwas aan de kop, kan vlees- of hoornachtig zijn.

Kop: lichaamsdeel, bestaande uit schedel en gezicht waaraan de snavel voorkomt.

Kortwieken: het wegknippen of afsnijden van de grote vleugelpennen van een vleugel. Gekortwiekte dieren worden op tentoonstellingen gediskwalificeerd.

Kroontje: o.a. bij pauwen, glansfazanten en enkele kwartels. Veertoef boven op de kop bestaande uit een steel met klein veertoefje, een kroontje bestaand uit meerdere veertjes.

Kruissnavel: snavelmisvorming waarbij de bovensnavel niet op de ondersnavel sluit en op de punt naast die van de ondersnavel is gelegen.

Krulveer: veer welke geheel of gedeeltelijk is gekruld.

Leewieken: het gedeeltelijk amputeren van een vleugel waarbij de duimveren behouden blijven.

Leiblauw: grijsachtige blauwe kleur, die ontstaat door een gelijkmatige verdeling van zwarte kleurstofdeeltjes over de kleurloze (witte) structuur der veerbaarden.

Liefhebber/fokker: die zich voor zijn genoegen bezighoudt met de teelt van dieren.

Loopbenen: geschubd gedeelte van het been, lopende van de hak tot de tenen, loopt in lengte en dikte uiteen bij verschillende rassen.

Mantel: bevedering tussen rug en hals.

Maskertekening: tekening aan de kop.

Meerzomig: veertekening waarbij twee of meer zomen evenwijdig aan de veerrand lopen.

Miskleur: iedere kleur of glans, niet in overeenstemming met die voorgeschreven is in de standaard voor het desbetreffende deel van het gevederte.

Mistekening: iedere tekening welke niet in overeenstemming is zoals voorgeschreven in de standaard voor het desbetreffende deel van het gevederte, hetzij door afwijkende vorm der tekening of te geringe of overdreven sterkte daarvan.

Mutatie: plotseling verschijnen of wegvallen van kenmerken.

Nagel: hoornachtige uitwas aan het einde van elke teen.

Nerf: veerschacht.

Neuslel: kegelvormige, vleesuitwas boven de snavelbasis bij kalkoenhaan, waarvan de lengte afhankelijk is van de gemoedstoestand. Komt in bescheiden vorm voor bij de kalkoenhen.

Neusgat: opening aan weerszijden van de bovensnavel en vandaar lopende naar de kop.

Nominaatvorm: oorspronkelijke vorm waarin het dier voorkomt.

O-benen: misvorming, waardoor de benen bij het kniegewricht te wijd uit elkaar staan en daaronder zich binnenwaarts richten.

Onderdijbeen: zogenaamd scheenbeen met kuitbeen, lopende van het kniegewricht tot hak.

Oortoeven: verlengde veren welke zich aan de kop bevinden.

Opgezwollen gezichtshuid: komt o.a. voor bij kalkoenen en tragopanen, vooral in de paartijd.

Overjarig: dier wat ouder is dan 1 jaar.

Paar: een mannelijk en een vrouwelijk dier van gelijk ras.

Pareloog: oog met zeer lichte, vrijwel witte iris.

Pauwenoog: oogvormige veervlek die zich bevindt in de bevedering van pauwfazanten en pauwen.

Pigment: door het bloed voortgebrachte kleurstof, welke waarneembaar is in de kleur van veren, huid, loopbenen, snavel, teennagels en ogen.

Primaire of grote slagpennen: langste vleugelveren, groeiende tussen duimveren en kleine slagpennen; nauwelijks zichtbaar bij gesloten vleugel.

Profiel: zijaanzicht van een dier. De gebruikelijke wijze van waarneming bij beschrijving en uitbeelding.

Pupil: opening van het oog midden in de iris.

Purperglans: paarse gloed bij zwart gevederte.

Roest: gele of roodachtige aanslag op het gevederte.

Romp: hoofddeel van het lichaam waaraan de ledematen zitten.

Ruigeel: geelachtige tint van het wit bij nog niet geheel uitgeruide veren.

Rijk: (wanneer betrekking hebbend op kleur) zuiver, levendig, vol.

Schacht: holle, hoornachtige steel der veer.

Scheve rug: veroorzaakt door misvorming van het bekken.

Scheve staart: steeds naar een kant gedragen staart.

Schimmel: schimmelachtige aanslag in gezichtshuid; kleurverdunning in de veren.

Schouderboog: zie vleugelboog.

Secundaire of kleine slagpennen: lange brede vleugelveren, welke groeien tussen het eerste en tweede gewricht van de vleugel, het dichtst bij het lichaam. Zichtbaar bij gesloten vleugel.

Sleep: sterk verlengde staartdekveren welke de lange staart vormen bij een aantal pauwensoorten.

Snavel: hoornachtig monduitsteeksel bestaande uit boven en ondersnavel.

Snavelnagel: hoornachtige uitwas aan het einde van de bovensnavel.

Spleetstaart: staart met duidelijke opening aan de wortel der staartstuurveren, ontstaan door niet normale bevedering, beschadiging of wangroei der staartveren.

Spleetvleugel: vleugel zo onregelmatig gevormd dat er duidelijk waarneembare opening tussen grote en kleine slagpennen ontstaat, terwijl alle pennen aanwezig zijn.

Spoor: hoornkleurig uitsteeksel, groeiende aan de binnenzijde of achterzijde van het loopbeen, knopvormig of gepunt, al naar gelang ras, leeftijd en geslacht van het dier; meerdere sporen op een loopbeen en ongelijke aantallen sporen kunnen bij sommige siervogels voorkomen.

Steekvleugel: afwijkende vleugeldracht waarbij de grote slagpennen van het lichaam afstaan.

Stelling: zie houding.

Stoppels: veren die gedeeltelijk doch niet geheel zijn uitgegroeid.

Stuit: tussen rug en staart gelegen lichaamsdeel.

Stuitklier: een vetklier, welke op de stuit bij de aanzet van de staart is gelegen, deze scheidt een vetachtige vloeistof af, welke met de snavel op het verenpak wordt aangebracht.

Symmetrie: volmaaktheid van verhouding, harmonie van alle delen van het dier als geheel bezien in verband met het standaardtype van het vertegenwoordigend ras.

Teen: vier in aantal, met name: buitenteen, middenteen, binnenteen en achterteen. Alle voorzien van een nagel.

Teugelstreep: lichte strepen boven of onder het oog lopend vanaf de snavel naar een punt achter het oog.

Toom: haan met meer dan twee hennen van het zelfde ras, dezelfde kleur en variėteit.

Trio: haan en twee hennen van eenzelfde ras, kleur en variėteit.

Uitgezakte vleugel: zie hangvleugel.

Vaan: vederachtige groei ter weerszijde van de veerschacht.

Veer: formatie bestaande uit schacht met vanen; deze laatste worden gevormd door baarden; de hoedanigheid der veer is afhankelijk van de volkomenheid, waarmee de baarden in elkaar grijpen. Wanneer de weerhaakjes aan de baarden onvolledig zijn, krijgt het gevederte een rafelig, franjeachtig of gekruld voorkomen.

Visoog: grijsgrauw gekleurd oog.

Vlag: de veertoef van Californische kuifkwartels of Gambelkwartels.

Vleugelband: streep of band, dwars over het midden van de vleugel lopend, gevormd door kleur of tekening der grote vleugeldekveren.

Vleugelboeg: voorste hoek van de vleugel bij de schouders.

Vleugelboog: bovenste deel van de vleugel beneden schouder en vleugelboeg en boven de vleugelband.

Vleugeldekveren: kleine glad aanliggende veren, welke de buiging van de vleugel zowel als de basis der kleine slagpennen bedekken.

Vleugeleinde: ongeveer het driehoekig gedeelte van de vleugel, beneden de vleugelband, gevormd door het zichtbare gedeelte van de slagpennen, wanneer de vleugel is gesloten.

Vleugelpunt: einde der grote slagpennen.

Weerschijn: prismatisch kleurenspel.

X-benen: een binnenwaartse beenstand, waardoor de

loopbenen zich naar beneden buitenwaarts richten.

Zoming: bredere of smallere zoom, in kleur afwijkend van de rest van de veer, hetzij geheel rondom de veer, hetzij alleen om het onderste gedeelte van de veer lopende.

Terug naar de Siervogelindex

Deze pagina is een onderdeel van de homepage van de NHDB

©Copyright NHDB

Niets van deze pagina's mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

No parts of this pages may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or any other without written permission from the publisher.